Beytullah Koçak
- Functie
- Beleidsadviseur financiën
- E-mailadres
- bkocak@cedris.nl
Nieuws
De financiering van de inclusieve arbeidsmarkt kent verschillende geldstromen, regelingen en lokale keuzes. Ingewikkeld? Zeker. Maar wie weet welke middelen beschikbaar zijn en waarvoor ze bedoeld zijn, kan betere keuzes maken. Cedris-expert Beytullah Koçak legt uit waarom financieel inzicht juist nu belangrijk is – en vooral wat gemeenten en werkontwikkelbedrijven ermee kunnen doen.
Uiteindelijk begint het niet bij geld, maar bij een gezamenlijke opgave: zoveel mogelijk mensen de kans bieden om aan het werk te komen en te blijven. Gemeenten hebben daarin een belangrijke verantwoordelijkheid. Werkontwikkelbedrijven zorgen voor werk, begeleiding en ontwikkeling voor mensen die daarbij ondersteuning nodig hebben.
Om dat mogelijk te maken, stelt het Rijk via verschillende routes middelen beschikbaar aan gemeenten. En daar wordt het al snel ingewikkeld.
“Gemeenten hebben verschillende budgetten om hun taken binnen de Participatiewet uit te voeren”, vertelt Beytullah. “Bij een deel van die middelen hebben ze beleidsvrijheid. Bovendien verschilt per gemeente welke taken een werkontwikkelbedrijf uitvoert. Daardoor kun je niet simpelweg zeggen: dit potje hoort altijd bij deze taak.”
Om meer overzicht te bieden, ontwikkelde Cedris de infographic Financieringsstromen inclusieve arbeidsmarkt. Daarin staan vier belangrijke geldstromen naast elkaar: het Gemeentefonds, de integratie-uitkering Participatie, het BUIG-budget en decentralisatie-uitkeringen. De infographic laat ook zien hoe die middelen via de uitvoering bijdragen aan werk en maatschappelijke waarde.
Het overzicht is vooral bedoeld als startpunt voor het gesprek. “Het helpt als gemeente en werkontwikkelbedrijf dezelfde informatie voor zich hebben”, zegt Koçak. “Welke middelen zijn beschikbaar? Voor welke taken zijn ze bedoeld? En wat willen we daar lokaal mee bereiken?”
Dat laatste is belangrijk. Want het financiële gesprek gaat al snel over de hoogte van een budget. Terwijl de vraag volgens Beytullah vooral zou moeten zijn: wat willen we samen bereiken met de middelen die er zijn?
Dat antwoord verschilt per gemeente. Sommige werkontwikkelbedrijven voeren vrijwel alle taken rond Werk & Inkomen uit, andere richten zich bijvoorbeeld vooral op werk en begeleiding. Ook de lokale opgaven verschillen. Juist daarom is het belangrijk om te weten welke financiële ruimte er is en vervolgens samen keuzes te maken.
Daarbij helpt het om breder te kijken dan alleen de begroting. Investeren in werk en begeleiding kost geld, maar levert ook maatschappelijke waarde op.
De maatschappelijke kosten-batenanalyse (MKBA) voor loonkostensubsidie maakt bijvoorbeeld zichtbaar dat baten op verschillende plekken kunnen ontstaan. Denk aan minder uitgaven aan uitkeringen en ondersteuning, maar ook aan economische en bredere maatschappelijke waarde. “We moeten daarom niet alleen naar onze eigen achtertuin kijken”, zegt Beytullah. “Als we voldoende investeren om mensen aan het werk te helpen, levert dat de maatschappij als geheel iets op.”
Dat gesprek wordt extra relevant nu de sociale infrastructuur verandert. De groep medewerkers in de Wsw neemt af, terwijl andere groepen binnen de Participatiewet een grotere plek krijgen binnen werkontwikkelbedrijven. Tegelijkertijd zijn middelen beschikbaar om te investeren in een toekomstbestendige sociale infrastructuur.
Prinsjesdag en de septembercirculaire zijn daarom goede momenten om opnieuw naar de cijfers te kijken. Welke middelen zijn beschikbaar? Wat verandert er? En wat betekent dat voor de lokale plannen? “Het is belangrijk om daar een goede toekomstvisie op te hebben”, zegt Beytullah. “Welke mensen willen we ondersteunen? Wat hebben zij nodig? Welke infrastructuur hoort daarbij? En welke middelen zijn nodig om dat duurzaam te organiseren?”
Financieel inzicht is daarbij een hulpmiddel. Uiteindelijk worden de keuzes lokaal gemaakt. Dat vraagt om een goed gesprek tussen gemeente en werkontwikkelbedrijf. Gemeenten moeten weten wat er in de uitvoering nodig is en welke mogelijkheden werkontwikkelbedrijven bieden. Werkontwikkelbedrijven moeten begrijpen welke financiële ruimte gemeenten hebben en welke afwegingen zij maken.
Hoe beter die werelden bij elkaar komen, hoe eerder het gesprek kan gaan over wat werkelijk belangrijk is: wat is onze lokale opgave, wat is daarvoor nodig en hoe zetten we de beschikbare middelen zo goed mogelijk in?
De financiering wordt daarmee misschien niet minder complex. Maar inzicht in de geldstromen helpt wel om er samen meer van te maken. Want uiteindelijk gaat het niet om de verschillende potjes, maar om wat we ermee mogelijk maken: meer mensen die met de juiste ondersteuning waardevol werk kunnen doen.
Bekijk de infographic Financieringsstromen inclusieve arbeidsmarkt en gebruik de rekentool om inzicht te krijgen in de middelen voor jouw gemeente.
Werkontwikkelbedrijven begeleidden in 2025 ruim 112.300 mensen naar of in werk en voerden 33.000 ontwikkeltrajecten uit. De Cedris Sectorinformatie 2025 laat zien hoe belangrijk werkontwikkelbedrijven zijn voor een inclusieve arbeidsmarkt én waarom investeren in begeleiding en ontwikkeling nodig blijft.
Nieuws
Hoe zit het nu precies met de financiering van een toekomstbestendige sociale infrastructuur? Tijdens het vragenuur van 12 juni beantwoordden...
Nieuws
De beweging naar een toekomstbestendige sociale infrastructuur is in volle gang. Dat blijkt ook uit de recente Kamerbrief van minister Aartsen. Steeds meer regio’s ontwikkelen samen een toekomstvisie en zetten de stap naar uitvoering. Door kennis te delen en van elkaar te leren, bouwen gemeenten, werkontwikkelbedrijven en partners samen aan een sociale infrastructuur die inwoners ook in de toekomst goed ondersteunt richting werk en ontwikkeling.
Nieuws